Geschil 25.08
In het geschil tussen:
De heer [naam], wonende te [plaatsnaam],
‘verzoeker’,
en
De heer [naam], tandarts, gevestigd te [plaatsnaam],
‘verweerder’,
vertegenwoordigd door mevrouw [naam], advocaat.
- Bevoegdheid
1.1 Partijen zijn overeengekomen geschillen naar aanleiding van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) te laten beslechten door de Geschillencommissie Klachtenportaal Zorg (hierna: Geschillencommissie) bij bindend advies.
1.2 De zittingscommissie (hierna: de commissie) die voor het onderhavige geschil is ingesteld op basis van artikel 4 lid 3 van het Geschillenreglement Geschillencommissie KPZ (hierna: Geschillenreglement) bestaat uit:
– mevrouw mr. C. E. Philips-Santman (voorzitter);
– mevrouw B.H. Tichelaar MSc (lid);
– mevrouw drs. M.C. van Mourik – Hamstra (tandarts) (lid).
1.3 Mevrouw ir. S.C. van Bronkhorst is aangesteld als ambtelijk secretaris van de commissie.
- Het procesverloop
2.1 Op 24 september 2025 heeft verzoeker het ‘Formulier indienen geschil’ en drie bijlagen over de gevolgde klachtenprocedure aan de Geschillencommissie toegezonden. Het geschil is in behandeling genomen op 30 september 2025. Verzoeker heeft op 10 november 2025 op verzoek van de commissie aanvullende stukken (foto’s) gestuurd.
2.2 Verweerder heeft op 3 november 2026 een verweerschrift ingediend. Daarnaast is door verweerder de patiëntenkaart van verzoeker over de periode 6 mei tot en met december 2024 overgelegd. Op 17 en 28 november 2025 heeft verweerder daarnaast nog twee documenten ingediend met (interne) uitwisseling van berichten over de behandeling van de verzoeker (over de periode 25 april 2025 tot en met 2 oktober 2025).
2.3 Voor de behandeling van het geschil heeft de commissie een hoorzitting bepaald op 6 februari 2026. Naast de commissie en de ambtelijk secretaris waren bij deze zitting aanwezig: verzoeker en zijn partner, mevrouw [naam] en verweerder en zijn advocaat, [naam].
2.4 Na de mondelinge behandeling van het geschil heeft de commissie in overleg met partijen het geschil tijdelijk aangehouden in het kader van het verkennen van een minnelijke regeling en heeft de commissie bij verzoeker nadere informatie opgevraagd. Op 22 januari 2026 heeft verzoeker een brief met een kosteninschatting ingediend. Op 5 februari 2026 heeft verweerder een reactie op deze brief met kosteninschatting van verzoeker ingediend, samen met 3 bijlagen met alternatieve kosteninschattingen. Op 13 februari 2026 heeft verzoeker daarop gereageerd en verzocht de geschilbehandeling voort te zetten.
- Samenvatting feiten en achtergronden
3.1 Verzoeker is al een aantal jaren patiënt bij tandartsenpraktijk [naam tandartsenpraktijk]. In het kader van een tandheelkundige behandeling is bij hem eind 2024 een brug geplaatst over zijn voortanden.
3.2 Verweerder was aanvankelijk aandeelhouder/praktijkhouder van [naam tandartsenpraktijk] en is na verkoop van de praktijk werkzaam als (zelfstandig) tandarts bij [naam tandartsenpraktijk]. Verweerder is voor geschilbehandeling conform de Wkkgz aangesloten bij Klachtenportaal Zorg.
3.3 De brug van verzoeker is vervaardigd door een extern tandtechnisch laboratorium en is – na toestemming door verzoeker – door verweerder definitief geplaatst in hard cement.
3.4 In het voorjaar van 2025 kwam verzoeker terug bij de praktijk met de melding dat er een zichtbaar luchtbelletje zat in één van de voortanden. Verweerder heeft op 25 april 2025 een herstelbehandeling bij verzoeker uitgevoerd, waarbij het luchtbelletje is opgevuld met composiet. Enige tijd daarna meldde verzoeker zich opnieuw bij verweerder omdat het opgevulde plekje in zijn voortand zichtbaar werd (oplichtte) bij blootstelling aan black light. Weer enige tijd later gaf verzoeker aan dat de reparatie aan zijn voortand ook bij daglicht zichtbaar was.
3.5 Verweerder voerde overleg met de tandtechnieker en de producent van het gebruikte composiet over een mogelijke oplossing. Op basis van dat overleg heeft verweerder verzoeker aangeboden het plekje op zijn voortand kosteloos door een collega te laten behandelen met een ander – minder transparant – composiet. Van dit aanbod heeft verzoeker geen gebruik gemaakt.
3.6 Op 1 juli 2025 is er door verzoeker een klachtenprocedure jegens verweerder gestart bij Klachtenportaal Zorg.
- Het geschil
4.1 Naar aanleiding van de geschilomschrijving in de ingediende stukken omschrijft de commissie het geschil, met instemming van beide partijen, als volgt:
4.2 Er is een fout ontstaan in het productieproces van de brug van verzoeker, waardoor er een luchtbelletje in een van zijn voortanden is ontstaan.
Bij verzoeker is vervolgens ongenoegen ontstaan over de herstelbehandeling die verweerder op 25 april 2025 uitvoerde. Het resultaat is voor verzoeker niet aanvaardbaar.
4.3 Daarnaast vordert verzoeker in het geschilformulier de kosten van herstel of vervanging van de brug. Gedurende de geschilbehandeling heeft verzoeker zijn stellingen aangevuld en gevraagd om vergoeding van de kosten van een nieuwe zesdelige brug, waarbij er ook implantaten en facings worden geplaatst. Verzoeker heeft de kosten voor deze laatste behandeling begroot op € 15.000,- .
- De beoordeling van de bevoegdheid van de commissie en de ontvankelijkheid van verzoeker in het geschil
Bevoegdheid commissie
5.1 Verzoeker heeft het geschil ingediend tegen zowel tandartsenpraktijk [naam tandartsenpraktijk] als tegen verweerder. Tandartsenpraktijk [naam tandartsenpraktijk] is niet aangesloten bij Klachtenportaal Zorg (KPZ). De commissie is om die reden niet bevoegd het geschil jegens tandartsenpraktijk [naam tandartsenpraktijk] in behandeling te nemen. Verweerder is werkzaam als zelfstandig tandarts bij tandartsenpraktijk [naam tandartsenpraktijk] en is als ZZP’er aangesloten bij KPZ. De commissie is bevoegd het geschil jegens verweerder in behandeling te nemen.
Ontvankelijkheid
5.2 Voordat de commissie overgaat tot een inhoudelijke behandeling, beoordeelt de commissie de ontvankelijkheid van verzoeker in dit geschil.
5.3 Verzoeker heeft op 1 juli 2025 een klacht ingediend bij Klachtenportaal Zorg. De inhoud van de klacht is beschreven in de klachtbrief. Verweerder heeft op 5 september 2025 schriftelijk op de klacht gereageerd. Aangezien deze reactie niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, is de klachtenprocedure op 17 september 2025 afgerond en heeft verzoeker zich tot de geschillencommissie gewend.
5.4 Volgens artikel 9 lid 4 Geschillenreglement en artikel 21 Wkkgz dient een cliënt eerst een klacht in te dienen bij een zorgaanbieder voordat hij een geschil bij de commissie kan indienen. Tevens dient er een tijdig oordeel van de zorgaanbieder te zijn over deze klacht. Indien een cliënt het geschil vervolgens aan de commissie wil voorleggen, dient dat op grond van artikel 12 lid 1 sub e Geschillenreglement te gebeuren binnen een jaar nadat het geschil overeenkomstig artikel 9 lid 4 Geschillenreglement aanhangig kan worden gemaakt.
De commissie constateert dat voldaan is aan deze voorwaarden voor ontvankelijkheid.
5.5 De commissie verklaart verzoeker ontvankelijk in zijn vordering.
Beoordelingskader
6.1 De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) geldt voor medische onderzoeken en behandelingen en voor alle zorg die daarmee samenhangt. Tussen verweerder en verzoeker is een geneeskundige behandelingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:446 Burgerlijk Wetboek (BW) tot stand gekomen.
6.2 De commissie toetst het handelen en/of nalaten van een zorgverlener aan het in artikel 7:453 BW genoemde toetsingskader: “De hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard.” Dit betekent dat de zorgverlener de zorg moet verlenen die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben verleend.
6.3 In zijn algemeenheid geldt voor tandheelkundige zorg dat een zorgverlener jegens een patiënt geen resultaatsverplichting heeft maar een inspanningsverplichting. Dit betekent dat een tandarts jegens zijn patiënt niet verplicht is een bepaald resultaat tot stand te brengen, maar wel verplicht is de inspanning te doen die men mag verwachten van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tandarts. Het is immers niet mogelijk een bepaald resultaat te garanderen, nu er bij medische behandelingen altijd de mogelijkheid bestaat dat er een complicatie optreedt, of dat een behandeling toch niet tot het gewenste resultaat leidt.
6.4 Het onderhavige geschil heeft betrekking op een gestelde tekortkoming in het productieproces van een brug die door een derde (tandtechnisch laboratorium) is vervaardigd. Op grond van artikel 6:76 BW is een zorgaanbieder aansprakelijk voor eventuele tekortkomingen van door hem ingeschakelde hulppersonen.
- Beoordeling van het geschil
Standpunt verzoeker
7.1 Verzoeker heeft samengevat het volgende gesteld. In de door verweerder bij verzoeker geplaatste brug is een kleine luchtbel in één voortand ontstaan, waardoor er een zwart stipje op zijn tand zat. Verweerder heeft verzoeker vervolgens verzekerd dat de door verweerder uitgevoerde reparatie van de luchtbel met composiet niet zichtbaar zou zijn. Dat is niet het geval. De reparatie is bij blootstelling aan black light (opvallend) zichtbaar, maar ook bij gewoon daglicht is een onvolkomenheid aan de voortand goed zichtbaar. Verzoeker heeft dat met verschillende foto’s onderbouwd.
7.2 Verzoeker stelt voorts dat hij van het tandtechnisch laboratorium begreep dat de reparatie van de luchtbel met airflow, ook wel zandstralen genoemd, had moeten worden uitgevoerd. Verweerder zou die techniek ten onrechte niet bij de herstelpoging hebben toegepast.
Standpunt verweerder
7.3 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat samengevat als volgt kan worden weergegeven.
Verweerder heeft geen invloed gehad op het door het tandtechnisch laboratorium gemaakte werkstuk. Wel heeft verweerder getracht de oneffenheid zo goed als mogelijk te herstellen door een herstelreparatie, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van composiet. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de zandstraaltechniek, maar van fluorzuur en etsen voor de hechting van het composiet. Alle porseleinen restauraties die in de mond worden geplaatst, dienen van te voren te worden behandeld met fluorzuur. Dat is een standaardprocedure, anders hecht het composietcement niet aan het porselein. In het geval van verzoeker is er vervolgens een composiet vulling gelegd en gebruikgemaakt van etsen voor het hechten. Verweerder heeft naar eigen zeggen alles gedaan wat in zijn bereik lag om de oneffenheid te herstellen.
Verweerder betreurt dat het resultaat niet naar tevredenheid van verzoeker is en heeft verzoeker om die reden aangeboden nogmaals een kosteloze herstelreparatie uit te voeren met een minder transparant composiet, door een collega in zijn praktijk.
7.4 Verweerder heeft daarnaast aangegeven dat hij heeft begrepen dat het tandtechnisch laboratorium bereid is de kosten voor een noodzakelijke herstelbehandeling te vergoeden, na begroting door een andere tandarts. Naar het oordeel van verweerder is het vervaardigen van een geheel nieuwe brug bij verzoeker echter niet aangewezen. Verweerder stelt dat de uitgangssituatie van verzoeker niet gunstig is voor het plaatsen van een nieuwe brug. De stompen van de wortels onder de kronen van de brug zijn zeer klein, waardoor het risico bestaat dat als de brug verwijderd zou worden, er nog meer tandmateriaal verloren gaat. Verweerder meent bovendien dat er een minder verstrekkende optie is voor herstel, namelijk een reparatie met een minder transparant composiet.
Overwegingen commissie
7.5 De commissie stelt voorop dat niet in geschil is dat de voortand in de brug van verzoeker niet voldoet aan het hetgeen verzoeker daarvan mocht verwachten. Het luchtbelletje in de tand van verzoeker is een zeldzame onvolkomenheid die is opgetreden in het productieproces bij het tandtechnisch laboratorium. In dit geval is deze onvolkomenheid niet te wijten aan een tekortkoming van verweerder in de door hem geleverde tandheelkundige zorg, maar het gevolg van een tekortkoming in het werk van een door hem ingeschakelde hulppersoon. Verweerder is – ondanks het feit dat hem persoonlijk hiervan geen verwijt kan worden gemaakt – voor deze tekortkoming aansprakelijk op de grondslag van artikel 6:76 BW. Het ligt op de weg van verweerder om eventuele schade die het gevolg is van zijn aansprakelijkheid voor de fout in het productieproces van het tandtechnisch laboratorium te verhalen op het tandtechnisch laboratorium.
7.6 Verweerder heeft zich naar het oordeel van de commissie voldoende ingespannen om het gebrek in de voortand van verzoeker te herstellen. De commissie meent dat verweerder geen verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop hij het herstel heeft uitgevoerd. Er dient bij een dergelijke behandeling altijd met fluorzuur geëtst te worden. Hieraan voorafgaand kan er eventueel gezandstraald worden.
De commissie meent dat de aard van het gebrek in het productieproces van de brug meebrengt dat er bij iedere vorm van herstel een kans bestaat dat (na verloop van tijd) afwijkingen tussen het plekje waar de luchtbel zat en de rest van de oppervlakte van de tand, zichtbaar zullen worden. De commissie kan op grond van het over en weer gestelde niet vaststellen of en in hoeverre verweerder verzoeker op dit risico heeft gewezen. De commissie meent dat dit wel op de weg van verweerder lag.
7.7 De commissie is met verzoeker van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van een restloos of volledig herstel. De door verzoeker overgelegde foto’s tonen aan dat er zowel in black light als bij daglicht een afwijkend plekje zichtbaar is op de voortand van verzoeker. Hierna zal worden beoordeeld in hoeverre dit esthetische gebrek, verzoeker aanspraak geeft op schadevergoeding.
7.8 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de commissie dit geschilonderdeel ten dele gegrond, voor zover het de aansprakelijkheid van verweerder betreft voor de ontstane fout in het productieproces van de brug door het tandtechnisch laboratorium.
- Verzoek tot schadevergoeding
8.1 Nu de commissie heeft geoordeeld dat verweerder aansprakelijk is voor de fout in het productieproces van de brug, komt zij toe aan de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding van verzoeker. De commissie heeft daarbij te beoordelen of de gevorderde schade in verband staat met de fout in het productieproces van de brug en of de gevorderde schade op zichzelf voldoende aannemelijk is.
8.2 Verzoeker heeft geen vertrouwen in een nieuwe behandeling met een andere vorm van composiet. Verzoeker stelt – samengevat – dat verweerder heeft aangegeven dat hij het plaatsen van een nieuwe brug medisch gezien risicovol acht, gezien de uitgangssituatie van verzoeker. Op verzoek van de commissie heeft verzoeker aan twee tandartsen gevraagd om een begroting op te stellen voor een nieuwe brug. De aangezochte tandartsen hebben die begroting echter niet willen opstellen, omdat zij meenden dat er te veel onzekerheden bestonden over het beloop van het plaatsen van een nieuwe brug gegeven de specifieke uitgangssituatie van verzoeker, aldus verzoeker. Verzoeker heeft zelf geconcludeerd dat hij om die reden is aangewezen op een ingrijpender herstel, namelijk een behandeling met implantaten en facings. Hij heeft daarvoor zelf een begroting opgesteld op basis van op het internet beschikbare informatie en vordert € 15.000,-.
8.3 Verweerder betwist – samengevat – dat een behandeling in de vorm van een nieuwe brugconstructie een noodzakelijke behandeling is voor het herstel van de schade van verzoeker. Naar het oordeel van verweerder is de door hem voorgestelde behandeling met een minder transparant composiet een passende en aanvaardbare oplossing. De kosten van die behandeling bedragen € 202,54. Het door verzoeker voorgestelde behandelplan acht verweerder buitenproportioneel. Het betreft een begroting voor de vervanging van een vierdelige brug door een zesdelige brug, waarbij er bovendien drie wortels worden getrokken en drie implantaten worden geplaatst. Verweerder heeft zijn verweer tegen de begroting van verzoeker onder meer onderbouwd door overlegging van een marktconforme begroting voor de vervanging van een vierdelige en een zesdelige brug.
8.4 De commissie overweegt als volgt over de door verzoeker gevorderde schadevergoeding. De commissie is met verzoeker van oordeel dat ook een nieuwe herstelbehandeling met een minder transparant composiet het risico in zich draagt, dat er op termijn een afwijking tussen het herstelde plekje en de rest van het tandoppervlak zichtbaar zal zijn. Daar staat tegenover dat het een weinig invasieve oplossing is, die zo nodig ook meerdere keren kan worden herhaald. Herstel door het vervangen van de bestaande brugconstructie brengt gezien de uitgangssituatie in het gebit van verzoeker ook de nodige risico’s en onzekerheden mee. De door verzoeker voorgestelde oplossing waarbij de brug wordt vervangen door een zesdelige brug en er implantaten en facings worden geplaatst, is verstrekkend en kostbaar.
Daarbij geldt dat de huidige brug van verzoeker op enig moment in de toekomst zou moeten worden vervangen (een brug heeft nu eenmaal geen onbeperkte levensduur), ook als er geen esthetisch gebrek in de voortand zou hebben gezeten. De commissie acht het bij die stand van zaken niet redelijk de volledige kosten van de door verzoeker voorgestelde oplossing toe te rekenen aan de productiefout in de huidige brug, nog afgezien van het feit dat de door verzoeker overgelegde kosteninschatting op onderdelen door de commissie als ruim en onvoldoende gespecificeerd wordt beschouwd.
8.5 Nu er onzekerheid bestaat over de wijze waarop het esthetische gebrek bij verzoeker volledig kan worden hersteld en de schade naar het oordeel van de commissie niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, meent de commissie dat er aanleiding bestaat de schade als gevolg van het esthetische gebrek naar redelijkheid te begroten op de kosten van het vervaardigen van een nieuwe vierdelige brugconstructie – vergelijkbaar met de brugconstructie die verweerder bij verzoeker heeft geplaatst en waarin een gebrek is opgetreden.
8.6 Verweerder heeft een begroting overgelegd ter zake van het vervangen van een vierdelige brug. De kosten daarvoor bedragen € 3122, 82. De commissie beoordeelt deze begroting als marktconform – zowel wat betreft de daarin opgenomen verrichtingen als de daarvoor gehanteerde tarieven en zal de schade van verzoeker begroten op het bedrag van € 3122, 82.
8.7 De commissie ziet op grond van hetgeen is beslist en het bepaalde in artikel 10 lid 2 Geschillenreglement aanleiding voor terugbetaling door verweerder van het door verzoeker betaalde griffiegeld van € 90,-.
- Leerpunten voor de zorgaanbieder
9.1 De commissie meent dat de zorgaanbieder in deze zaak geen verwijt kon worden gemaakt van zijn handelen. De zorgaanbieder is aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt door een tekortkoming in het werk van een door de zorgaanbieder ingeschakelde hulppersoon. De zorgaanbieder treft geen verwijt ten aanzien van de herstelbehandeling die hij bij verzoeker heeft uitgevoerd. Hij heeft zich daarbij voldoende ingespannen. Dat het resultaat ondanks die inspanningen tegenviel, kan niet aan de zorgaanbieder worden tegengeworpen. Wel is het in een dergelijk geval aan te bevelen om bij een patiënt een realistische verwachting te wekken over een mogelijk tegenvallend resultaat van een herstelbehandeling. Inherent aan het esthetische gebrek in de voortand van verzoeker is het risico dat een herstel met composiet (na verloop van tijd) zichtbaar zal worden.
De beslissing
10.1 De commissie stelt bij bindend advies vast dat:
– geschilonderdeel 1 ten dele gegrond is, met dien verstande dat verweerder op grond van artikel 6:76 BW aansprakelijk is voor de ontstane fout in het productieproces van de brug van verzoeker;
– de schade van verzoeker als gevolg van de fout in het productieproces van de brug is begroot op een bedrag van € 3122, 82;
– verweerder binnen vier weken na de datum van deze beslissing een bedrag van € 3122, 82 moet betalen op een door verzoeker aan verweerder op te geven rekeningnummer;
– verweerder het door verzoeker voldane griffiegeld van € 90,- op grond van het bepaalde in artikel 10 lid 2 Geschillenreglement binnen vier weken na de datum van deze beslissing dient terug te betalen op een door verzoeker aan verweerder op te geven rekeningnummer;
– het meer of anders gevorderde ongegrond is en/of niet voor toewijzing in aanmerking komt.
3 maart 2026
Mevrouw mr. C. E. Philips-Santman,
namens de Geschillencommissie KPZ.